Appellant, geboren in Suriname en met de Nederlandse nationaliteit, keerde in augustus 1975 terug naar Nederland voor studie. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) paste een korting van 8% toe op zijn AOW-pensioen omdat hij niet als ingezetene werd beschouwd in de periode 1972-1975 en het eerste jaar na zijn terugkeer. Appellant betwistte dit en voerde aan dat hij vanaf aankomst in 1975 een duurzame band met Nederland had.
De rechtbank oordeelde dat de duurzame band was verbroken door zijn langdurig verblijf in Suriname en dat het ingezetenschap niet direct na aankomst in Nederland weer was ontstaan. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen omdat de vergelijkingspersonen niet in gelijke omstandigheden verkeerden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat ingezetenschap geleidelijk ontstaat en dat studeren en op kamers wonen geen directe intentie tot definitieve vestiging bewijzen. De Raad wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af omdat de situaties van de genoemde vergelijkingspersonen substantieel verschillen, bijvoorbeeld doordat zij direct na aankomst werkten of een militaire opleiding volgden.
Verder is er geen sprake van verboden discriminatie op grond van herkomst. De Raad benadrukt de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij sociale zekerheidsmaatregelen en bevestigt dat de wet en beleidsregels correct zijn toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de korting op het AOW-pensioen blijft gehandhaafd.