ECLI:NL:CRVB:2019:2167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en recht op kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet
Appellant, geboren in Pakistan en sinds 1988 in Nederland woonachtig met de Nederlandse nationaliteit, vertrok in 1999 met zijn ouders naar Pakistan. In oktober 2014 keerde hij terug naar Nederland met zijn zoon en vroeg kinderbijslag aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag voor het eerste kwartaal van 2015 af wegens het ontbreken van een duurzame band met Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de duurzame band met Nederland pas vanaf 11 oktober 2015 bestond. Appellant woonde bij zijn broer, had geen eigen woning, geen betaald werk en zijn gezin verbleef nog in Pakistan zonder verzoek tot gezinshereniging.
De Raad bevestigt dat de duurzame band van persoonlijke aard met Nederland door het vertrek in 1999 was verbroken en pas vanaf 11 oktober 2015 weer bestond. De intentie van appellant om zich in 2014 definitief te vestigen werd niet ondersteund door objectieve factoren. De weigering van kinderbijslag over de periode vóór 2016 is dwingendrechtelijk en laat geen ruimte voor een proefperiode.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellant was vóór 1 januari 2016 geen ingezetene van Nederland en had daarom geen recht op kinderbijslag over die periode.