Appellante vroeg in 2017 een WIA-uitkering aan, ruim tien jaar na haar eerste ziektedag in 2006. Het Uwv weigerde de uitkering omdat zij bij aanvang van haar verzekering in mei 2006 reeds volledig arbeidsongeschikt zou zijn geweest, een uitsluitingsgrond volgens de Wet WIA. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het dossier voldoende medische en niet-medische informatie bevat om aan te nemen dat appellante bij aanvang van de verzekering niet volledig arbeidsongeschikt was. Zij werkte toen nog vijf en een halve maand zonder ziekteverzuim. De Raad stelt dat de uitsluitingsgrond niet van toepassing is en vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de rechtsgevolgen in stand liet.
De Raad draagt het Uwv op een nieuwe beslissing te nemen waarbij uitgegaan wordt van niet-volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering, en wel volledige arbeidsongeschiktheid op eerste ziektedag en einde wachttijd. Tevens wordt bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad mogelijk is en wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.