ECLI:NL:CRVB:2023:1999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning bijstand 50% gehuwdennorm wegens niet duurzaam gescheiden leven
Appellant, gehuwd met een niet-rechthebbende partner die in Syrië verblijft, vroeg bijstand aan op basis van de Participatiewet. Het college kende bijstand toe ter hoogte van 50% van de gehuwdennorm omdat de echtgenote geen recht op bijstand had en appellant niet duurzaam gescheiden leefde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij als alleenstaande moest worden beschouwd omdat hij duurzaam gescheiden leeft, dat er geen financiële verstrengeling is, en dat het college maatwerk had moeten toepassen gezien zijn financiële situatie.
De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven pas aan de orde is als ten minste één van de echtgenoten het samenleven wil verbreken en dit blijvend is bedoeld. Het feit dat de echtgenote in het buitenland verblijft, betekent niet automatisch duurzaam gescheiden leven. De IND had al ingestemd met de overkomst van de echtgenote, wat bevestigt dat het samenleven redelijkerwijs hervat kon worden.
Verder is artikel 24 PW Pro dwingendrechtelijk en biedt het geen ruimte voor afwijking of maatwerk bij partners in het buitenland. Afstemming van bijstand is slechts mogelijk in zeer bijzondere situaties, waarvan appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat die zich voordoen.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: De toekenning van bijstand ter hoogte van 50% van de gehuwdennorm wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.