ECLI:NL:CRVB:2022:1953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens verdiencapaciteit en beoordeling ziekteverzuim
Betrokkene, laatstelijk werkzaam als servicedeskmedewerker, meldde zich ziek in februari 2016 en ontving een ZW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per maart 2017 omdat betrokkene meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten.
Betrokkene voerde aan dat hij meer beperkingen had en dat het ziekteverzuim excessief was, wat hem ongeschikt zou maken voor arbeid. De rechtbank oordeelde dat het verzuim van 26% excessief was, waardoor het UWV het besluit moest herzien en schadevergoeding moest betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep oordeelde de Raad dat het verzuim niet excessief is, mede omdat de deskundige een daling van de aanvalsfrequentie verwacht in een werksituatie en de geselecteerde functies niet persoonsgebonden zijn. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de beëindiging van de ZW-uitkering. Tevens werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat en het UWV ieder voor een deel aansprakelijk werden gesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.