ECLI:NL:CRVB:2022:180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld en weigering WIA-uitkering na toetsing belastbaarheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als conciërge, meldde zich ziek in november 2015 en ontving aanvankelijk ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Na een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar (TVB2) oordeelde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waardoor het ziekengeld per 19 oktober 2017 werd beëindigd. Tevens werd vastgesteld dat appellant niet voldeed aan de vereiste wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid voor een WIA-uitkering.
Appellant voerde meerdere bezwaren aan tegen besluiten van het UWV die zijn belastbaarheid en geschiktheid voor geselecteerde functies betroffen, waaronder de functie van administratief medewerker. De rechtbanken oordeelden dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat het UWV de belastbaarheid van appellant niet onjuist had ingeschat. De Raad onderschreef deze bevindingen en wees het hoger beroep af.
De Raad ging in op de beoordelingssystematiek van de WIA en ZW, bevestigde dat het UWV terecht functies selecteerde die eerder waren verworpen vanwege een onjuist gehanteerd indexcijfer, en verklaarde dat de medische rapporten voldoende onderbouwd waren. Verzoeken tot benoeming van een psychiater werden afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling. De Raad concludeerde dat het UWV het ziekengeld terecht heeft beëindigd en dat appellant niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het ziekengeld terecht heeft beëindigd en dat appellant niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering wegens het niet voltooien van de wachttijd.