ECLI:NL:CRVB:2020:2127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld en WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als assistent opbouwmedewerker en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 18 december 2016 meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en daarom geen recht meer heeft op ziekengeld. Tevens werd vastgesteld dat appellant de wachttijd van 104 weken voor een WIA-uitkering niet heeft vervuld, waardoor hij geen recht heeft op deze uitkering.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan vastgesteld, met name vanwege psychische klachten en medicatiegebruik die zijn functioneren beïnvloeden. Hij betwistte de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en verzocht om een onafhankelijke deskundige. Het UWV voerde aan dat het onderzoek zorgvuldig was en dat alle relevante medische informatie was betrokken.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt te onderbouwen. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de functionele mogelijkhedenlijst en de beoordeling van het UWV. De Raad bevestigde dat appellant geen recht heeft op ziekengeld en WIA-uitkering en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht heeft op ziekengeld en WIA-uitkering.