ECLI:NL:CRVB:2015:115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
In hoger beroep voerde appellante medische en arbeidskundige gronden aan, waaronder ernstige vermoeidheid, cognitieve beperkingen en een lage GAF-score, ondersteund door een psycholoog. De Raad concludeert echter dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze aspecten adequaat heeft beoordeeld en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen juist weergeeft.
De Raad acht de medische stukken onvoldoende om een verdere beperking, zoals een urenbeperking, aan te nemen. Ook de klachten door slaapapneu zijn adequaat behandeld en niet gerelateerd aan beperkingen. De late ingebracht grond over een Wet Amber-beoordeling wordt niet in behandeling genomen wegens strijd met de procesorde.
De Raad ziet geen reden voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige en bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellante in staat is tot passend werk binnen haar beperkingen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.