ECLI:NL:CRVB:2022:151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellante, Venezolaanse nationaliteit, keerde in mei 2019 met haar Nederlandse dochter naar Nederland terug en vroeg verblijfsdocument EU/EER aan. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal 2020 omdat appellante op die peildata niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante geen zelfstandige woonruimte had, nog kort in Nederland verbleef en niet maatschappelijk actief was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij al acht maanden in Nederland verbleef, ingeschreven stond in de basisregistratie personen, een zorgverzekering had en een bijstandsuitkering ontving, en dat zij als verzorger van een Unieburger recht had op kinderbijslag op grond van het Unierecht.
De Raad oordeelde dat appellante op de peildata nog niet voldeed aan de ingezetenschapsvoorwaarden, dat het bezit van een zorgverzekering geen ingezetenschap impliceert en dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Verder werd geoordeeld dat de weigering van kinderbijslag geen belemmering vormt voor het verblijfsrecht van de dochter binnen de EU en niet in strijd is met het Handvest of het IVRK. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal 2020 bevestigd.