ECLI:NL:CRVB:2021:998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens overschrijding vrijgestelde zelfstandige uren per maand
Appellante ontving een WW-uitkering en werkte daarnaast als zelfstandige op een boerderij met seizoensgebonden uren. Het UWV stelde het aantal vrijgestelde uren voor zelfstandige werkzaamheden vast op 120 per maand. Na een opgave van 160 gewerkte uren in juni 2017 verlaagde het UWV de WW-uitkering met ingang van die maand.
Appellante voerde aan dat het aantal gewerkte uren over een jaar gemiddeld moest worden, vanwege de seizoensgebonden aard van haar werk, en stelde dat het UWV haar onjuist had geïnformeerd. Tevens stelde zij dat zij per abuis een onjuiste urenopgave had gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de wet dwingendrechtelijk is en geen ruimte laat voor middeling van uren over een jaar.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Op grond van de wettelijke bepalingen moet het UWV per maand beoordelen of het aantal gewerkte uren de vrijgestelde uren overschrijdt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de communicatie van het UWV alleen betrekking had op de vaststelling van de vrijgestelde uren, niet op de wijze van verrekening van daadwerkelijk gewerkte uren. Ook is de stelling van appellante over een onjuiste opgave niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de verlaging van de WW-uitkering wegens overschrijding van de vrijgestelde zelfstandige uren per maand wordt bevestigd.