Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW) en woonde met haar jongste dochter die in 2016 21 jaar werd. Het college paste vanaf die datum de kostendelersnorm toe en herzag de bijstand met terugwerkende kracht, waarbij een bedrag van €1.665,69 werd teruggevorderd. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet verplicht was om de geboortedatum van haar dochter opnieuw te melden, omdat deze informatie al bij het college bekend was. De Raad stelde vast dat de herziening en terugvordering niet gebaseerd waren op een juiste grondslag en dat appellante niet redelijkerwijs kon begrijpen dat zij vanaf de 21ste verjaardag van haar dochter te veel bijstand ontving, mede omdat zij hierover niet was geïnformeerd.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herroept de eerdere besluiten van het college, waardoor appellante het bedrag niet hoeft terug te betalen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellante vergoed.