ECLI:NL:CRVB:2020:986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht wegens te late aanvraag
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierecht. Het college wees de aanvraag gedeeltelijk af omdat deze na het opkomen van de kosten werd ingediend en niet binnen de beleidsmatige termijn van twee maanden na het opkomen van de kosten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de kosten pas opkwamen toen zijn gemachtigde hem deze in rekening bracht, maar de Raad volgde de vaste rechtspraak dat de kosten van eigen bijdragen rechtsbijstand opkomen op het moment dat de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand wordt ontvangen en griffierechten op het moment van indienen van het beroepschrift. De aanvraag was dus te laat.
Appellant voerde aan dat bijzondere omstandigheden bestonden omdat hij toen geen algemene bijstand ontving en zijn gemachtigde de kosten pas in rekening bracht nadat hij weer bijstand ontving. De Raad oordeelde dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijken van het uitgangspunt van tijdige aanvraag.
Het college had het beleid consistent toegepast en de Raad bevestigde de aangevallen uitspraak. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand is afgewezen wegens te late indiening zonder bijzondere omstandigheden.