ECLI:NL:CRVB:2020:3262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit kinderbijslag toegekend vanaf 1 juli 2018 wegens ontbreken bestendig hoofdverblijf kind
Appellant, voormalig echtgenoot van belanghebbende, heeft kinderbijslag aangevraagd voor hun dochter met de stelling dat het kind sinds november 2017 bij hem woont. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe vanaf het derde kwartaal van 2018, omdat het kind langer dan zes maanden bij appellant verbleef. Het bezwaar van appellant tegen het besluit werd ongegrond verklaard door de rechtbank, die oordeelde dat op de peildatum 1 januari 2018 geen bestendige situatie van hoofdverblijf bij appellant bestond.
Appellant stelde dat het verblijf vanaf november 2017 onafgebroken en bestendig was, onderbouwd met verslagen van het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) en procedures bij de familierechter. De Raad overwoog dat bij een omgangsregeling de feitelijke situatie bepalend is, maar dat de Svb uitgaat van een bestendige wijziging van de afspraken alvorens het hoofdverblijf te wijzigen.
Uit de stukken bleek dat het verblijf bij appellant vanaf november 2017 een proefperiode betrof van twee maanden, met gesprekken over terugkeer naar belanghebbende. Op 1 januari en 1 april 2018 ontbrak nog de bestendigheid van het verblijf bij appellant. Pas vanaf 3 mei 2018 was sprake van een bestendige situatie. Daarom was de toekenning van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2018 terecht.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van kinderbijslag vanaf 1 juli 2018 blijft in stand.