ECLI:NL:CRVB:2021:1935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit kinderbijslag na wijziging hoofdverblijf en onderhoudsbijdrage
Appellant en de derde-partij hadden een ouderschapsplan waarin was afgesproken dat het kind bij appellant ingeschreven stond en hij recht had op kinderbijslag. In oktober 2016 werd het kind echter uitgeschreven bij appellant en ingeschreven bij de derde-partij. Een kort geding wees af dat appellant nakoming van het ouderschapsplan kon afdwingen.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat het kind vanaf het vierde kwartaal 2016 niet meer bij appellant woonde en besloot de kinderbijslag te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Raad bevestigt dat de feitelijke situatie leidend is als een ouderschapsplan niet wordt nageleefd en dat het kind vanaf 1 januari 2017 niet meer bij appellant woonde.
Daarnaast is in geschil wie het meeste bijdraagt aan het onderhoud van het kind sinds het uit huis plaatsen in mei 2017. De Svb concludeerde dat de derde-partij de hoogste bijdrage leverde, wat door de Raad wordt bevestigd. De door de derde-partij opgevoerde kosten zijn noodzakelijk en voldoende onderbouwd, terwijl appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn stellingen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de eerdere uitspraken dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2017 en dat de kinderbijslag in het derde en vierde kwartaal 2017 aan de derde-partij toekomt.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2017; kinderbijslag wordt toegekend aan derde-partij wegens hoogste onderhoudsbijdrage.