ECLI:NL:CRVB:2013:2316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- E.E.V. Lenos
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag voor dochter vóór definitieve hoofdverblijfplaatswijziging
Appellant was gehuwd geweest en had twee kinderen, waarvan de hoofdverblijfplaatsen na echtscheiding verdeeld waren met co-ouderschap. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende in 2005 op basis van co-ouderschap 50% kinderbijslag toe aan zowel appellant als zijn ex-echtgenote.
In december 2009 meldde appellant dat zijn dochter bij hem verbleef en vroeg kinderbijslag aan. De rechtbank Arnhem stelde in juni en oktober 2010 de hoofdverblijfplaats van de dochter voorlopig en definitief bij appellant vast. De Svb kende kinderbijslag toe vanaf het eerste kwartaal van 2011. Appellant maakte bezwaar voor eerdere kwartalen.
De Svb verklaarde het bezwaar gedeeltelijk gegrond en kende kinderbijslag toe vanaf het derde kwartaal van 2010. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat er vóór die datum geen bestendige nieuwe situatie was. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het verzoek af om kinderbijslag met terugwerkende kracht toe te kennen, mede omdat appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen eerdere besluiten.
De Raad oordeelt dat de situatie van co-ouderschap bleef gelden tot de definitieve rechterlijke vaststelling in oktober 2010 en dat de Svb terecht vasthield aan haar beleidsregels. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen; geen recht op kinderbijslag voor dochter vóór derde kwartaal 2010.