Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep tegen de beslissing wrakingsverzoek kennis te nemen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving kinderbijslag voor zijn dochter, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) startte een onderzoek nadat de moeder van het kind kinderbijslag had aangevraagd en verklaarde dat het kind bij haar woont. Uit onderzoek bleek dat de dochter en moeder sinds mei 2019 niet meer bij appellant woonden en ingeschreven stonden op een ander adres.
De Svb schortte daarop de kinderbijslag en beëindigde deze vanaf het derde kwartaal van 2019. Appellant voerde aan dat de inschrijving vals was en dat hij nog kosten voor zijn dochter droeg. Tevens stelde hij dat de rechter onpartijdig was en diende te worden gewraakt omdat deze het vonnis van het Tunesische gerechtshof niet wilde inzien.
De Raad oordeelde dat er geen aanwijzingen waren voor vooringenomenheid van de rechter en dat het wrakingsverzoek daarom niet ontvankelijk was. Verder bevestigde de Raad dat de feitelijke situatie leidend is voor het recht op kinderbijslag en dat de Svb terecht de kinderbijslag had geschorst en beëindigd omdat de dochter niet meer tot het huishouden van appellant behoorde.
Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd ongegrond verklaard en de beslissing op het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De schorsing en beëindiging van de kinderbijslag worden bevestigd; het wrakingsverzoek wordt afgewezen.