ECLI:NL:CRVB:2020:2285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening WAO-uitkering wegens niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 1990 een WAO-uitkering ontving wegens arbeidsongeschiktheid, verzocht meerdere malen om herziening van haar uitkering op grond van vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) trok haar uitkering in 2006 in vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Diverse bezwaar- en beroepsprocedures volgden, waarbij de rechtbank en de Raad de besluiten van het Uwv bevestigden.
In 2016 verzocht appellante opnieuw om terugkomst van het besluit van 2011, dat haar aanvraag voor een WAO-uitkering afwees wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het Uwv wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangetoond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de ingebrachte medische informatie, waaronder kaakklachten, ijzertekort en slaapproblemen, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormen zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het verzoek om herziening voor de toekomst faalt, omdat geen toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak is vastgesteld. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot terugkomst en herziening van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.