ECLI:NL:CRVB:2014:2582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toekenning WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 9 oktober 2006 in wegens een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Appellante meldde zich in mei 2011 bij het UWV met het verzoek om een nieuwe WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Het UWV weigerde dit verzoek bij besluiten van 10 november 2011 en 23 maart 2012, omdat medisch was vastgesteld dat er geen toename van beperkingen was die voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel.
In hoger beroep heeft appellante medische verklaringen overgelegd, maar de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat deze geen aanwijzingen bevatten voor toegenomen beperkingen op de peildatum 29 mei 2011. De Raad oordeelt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat de medische gegevens geen aanleiding geven tot twijfel aan de afwezigheid van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 43a WAO voor hernieuwde toekenning van de uitkering. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.