ECLI:NL:CRVB:2016:5115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening aanvullende bijstand wegens geen nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant woonde van maart 1995 tot maart 1997 in Roermond en ontving aanvullende bijstand naast een WAO-uitkering. Hij verzocht het college in 2014 om herziening van deze bijstand omdat destijds de beslagvrije voet niet volledig zou zijn gerespecteerd. Het college wees dit af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat uit betaaloverzichten en eerdere uitspraken blijkt dat de beslagvrije voet niet correct werd toegepast en dat het college het verzoek deels had moeten doorzenden naar de bevoegde gemeente na 1997.
De Raad oordeelde dat de besluiten over aanvullende bijstand onherroepelijk zijn en dat het college terecht toepassing gaf aan artikel 4:6 Awb Pro door het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van nieuwe feiten. De WAO-uitkering wordt als voorliggende voorziening gezien, waardoor geen recht bestaat op een hogere bijstand wegens inhoudingen.
Verder was het niet onredelijk dat het college het verzoek niet doorzond naar een andere gemeente. De Raad vond geen sprake van evidente onredelijkheid in het besluit. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om wettelijke rente werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot herziening van aanvullende bijstand wordt niet toegewezen.