ECLI:NL:CRVB:2019:3435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onjuiste functie-selectie en arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in WIA-procedure
Appellant ontving een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 57,2%, vastgesteld door het UWV. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, onder meer omdat de medische beoordeling en de geschiktheid van voorbeeldfuncties, waaronder medewerker gordijnen, voldoende waren gemotiveerd. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen onvoldoende waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat de functie medewerker gordijnen ongeschikt was vanwege wekelijkse spoedleveringen die stress veroorzaken.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de FML adequaat waren verwerkt. Echter, de motivering van de arbeidsdeskundige met betrekking tot de functie medewerker gordijnen was onvoldoende concreet en niet gebaseerd op voldoende feitelijke gegevens, waardoor deze functie niet als passend kon worden beschouwd. Omdat deze functie de mediaan was in de beoordeling, moet een nieuwe arbeidskundige beoordeling plaatsvinden.
Daarnaast werd het geschil over de dagloonberekening behandeld. Appellant betwistte dat de Ziektewet-uitkering als loon moest worden beschouwd, wat het UWV en de Raad bevestigden op basis van wettelijke bepalingen en vaste jurisprudentie. De Raad droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen een nieuwe arbeidskundige beoordeling te verrichten omdat de functie medewerker gordijnen onterecht is gebruikt bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid.