ECLI:NL:CRVB:2019:1990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitsluiting WW-uitkering wegens ontbreken geldige verblijfsstatus
Appellant, een Ivoriaanse werknemer, diende een WW-uitkering aan nadat zijn arbeidsovereenkomst werd beëindigd wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet als werknemer in de zin van de WW kan worden beschouwd zonder geldige verblijfsstatus, en dat het beroep op EU-verdragen en het arrest Tümer niet slaagt. In hoger beroep erkende appellant dat deze bepalingen geen directe werking hebben, maar voerde aan dat het onderscheid op grond van verblijfsstatus niet objectief gerechtvaardigd is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het onderscheid tussen werknemers met en zonder geldige verblijfsstatus, zoals neergelegd in artikel 3, derde lid, van de WW, een legitiem doel dient en in redelijke en proportionele verhouding staat tot dat doel. Het arrest Tümer is niet van toepassing omdat het ziet op insolventie-uitkeringen en niet op reguliere WW-uitkeringen. Het beroep van appellant wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WW-uitkering vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus.