Uitspraak
7 november 2013, 13/654 en 13/655 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante had bijstand aangevraagd en beschikte over een koopwoning die zij verhuurde tegen een bruto huurprijs van €1.350 per maand. Het college hield bij de bijstandsverlening aanvankelijk rekening met een deel van de huurinkomsten, maar trok later de bijstand in wegens het beschikken over inkomen boven de bijstandsnorm. Appellante voerde aan dat het bedrag uit een MeerWaardeovereenkomst geen inkomen was en dat de huurinkomsten niet volledig in aanmerking mochten worden genomen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken omdat huurinkomsten expliciet als inkomen worden aangemerkt in de WWB. Wel werd geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel geldt, waardoor de intrekking niet met terugwerkende kracht tot aan de toekenning kon plaatsvinden.
Verder werd vastgesteld dat het bezwaar tegen de toekenning van de bijstand ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard, omdat appellante belang behield bij een beoordeling. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de intrekking over de periode 20 januari tot 13 juni 2012 betreft en herroept dat besluit. De overige besluiten, waaronder de afwijzing van bijzondere bijstand, werden bevestigd. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt herroepen voor de periode 20 januari tot en met 13 juni 2012, het overige wordt bevestigd.