ECLI:NL:CRVB:2018:3366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag gemeente Rotterdam ondanks beroep
Appellanten ontvangen sinds 2010 bijstand en vroegen op 8 april 2016 een individuele inkomenstoeslag aan. Het college van Rotterdam kende hen een toeslag van €100 toe, gebaseerd op een verordening die een standaardbedrag van €50 per jaar hanteert, met een afwijking voor 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de verordening onvoldoende gemotiveerd is en dat de toeslag onevenredig is omdat er geen differentiatie is naar leefvorm, waardoor bijvoorbeeld gehuwden met kinderen minder bestedingsruimte hebben.
De Raad overwoog dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en gemeenten vrij zijn in de invulling hiervan. De Raad bevestigde dat het aan gemeenten is om de hoogte en voorwaarden van de toeslag te bepalen, mits dit niet leidt tot ernstige fouten die het voorschrift onbruikbaar maken. De motivering van het college over de hoogte van de toeslag en het Rotterdamse armoedebeleid was voldoende en sluit aan bij het beleid gericht op ondersteuning in natura en inkomensondersteuning.
De Raad concludeerde dat de keuze voor één toeslag passend is en de terughoudende toets doorstaat. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het college van Rotterdam en wijst het hoger beroep van appellanten af.