ECLI:NL:CRVB:2018:4042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante diende op 24 mei 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na aanvankelijke afwijzing kende het college op 10 maart 2017 alsnog de toeslag toe, gebaseerd op de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de hoogte van de toeslag van €50 niet gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat het onredelijk was om één toeslag voor alle leefvormen te hanteren, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm vereist is. De Raad vond dat de Verordening voldoende gemotiveerd was en dat de keuze voor één toeslag voor alle leefvormen standhoudt onder de terughoudende toetsing van het algemeen verbindend voorschrift.
Daarmee faalden de beroepsgronden van appellante en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.