ECLI:NL:CRVB:2017:4102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing individuele inkomenstoeslag en geen recht op dwangsom
Appellant heeft meerdere aanvragen ingediend voor een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn afgewezen. De rechtbank vernietigde het oorspronkelijke besluit en beval een nieuw besluit, waarna het college de beslistermijn opschortte in afwachting van een nieuwe verordening.
Appellant stelde het college vervolgens in gebreke wegens het niet tijdig beslissen, maar de Raad oordeelde dat deze ingebrekestellingen prematuur waren omdat het college binnen een redelijke termijn, conform de Algemene wet bestuursrecht, een besluit kon nemen nadat de nieuwe verordening was vastgesteld. De Raad concludeerde dat het college terecht geen dwangsom toekende.
Verder werd geoordeeld dat de vaststelling van de individuele inkomenstoeslag op € 50,- niet in strijd is met de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft immers geen minimumbedrag voorgeschreven en heeft de hoogte van de toeslag aan de gemeenteraad overgelaten, die deze koppelt aan het gemeentelijk armoedebeleid.
De Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag en oordeelt dat geen dwangsom verschuldigd is.