ECLI:NL:CRVB:2018:2734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand sinds 2011 en stond sinds 2014 ingeschreven op een adres in Utrecht. Na een melding dat zij een woning in Roemenië bezit, startte de gemeente Utrecht een onderzoek naar de rechtmatigheid van haar bijstand. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, waarnemingen, huisbezoek en gesprekken met appellante. Het college trok de bijstand in per 10 september 2015 wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met [X], die volgens het college zijn hoofdverblijf bij appellante had. Tevens werd een boete opgelegd.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [X] zijn hoofdverblijf bij appellante had. Het waarnemingsonderzoek was beperkt en er is geen buurtonderzoek of verhoor van [X] geweest. De verklaring van appellante dat [X] slechts regelmatig aanwezig was en officieel bij zijn moeder woonde, is niet weerlegd. Hierdoor is het criterium van gezamenlijke huishouding niet voldaan.
De Raad vernietigt de bestreden besluiten en draagt het college op om opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit, met inachtneming van deze uitspraak. Voor het boetebesluit geldt dat het college geen nieuw besluit kan nemen; de Raad herroept dit besluit zelf. Tevens worden de kosten van appellante vergoed.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding en de boete wordt herroepen.