ECLI:NL:CRVB:2018:2570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand en oplegging evenredige boete wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontvangt sinds mei 2014 bijstand en werd onderzocht in het kader van een heronderzoek Participatiewet 2015. Uit bankafschriften bleek dat tussen juli 2014 en augustus 2015 meerdere stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn rekening plaatsvonden, die niet tijdig aan het college waren gemeld.
Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag van € 3.776,84 terug. Tevens werd een bestuurlijke boete van € 1.170,- opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de stortingen had geleend en dat de boete onevenredig was gezien zijn psychische gesteldheid en financiële situatie. De Raad oordeelde dat de stortingen als inkomsten moeten worden aangemerkt, ongeacht de leningstatus, en dat appellant niet tijdig en uit eigen beweging had gemeld. De boete werd als evenredig beoordeeld, mede gelet op de draagkracht en rechtspraak.
De Raad concludeerde dat geen dringende redenen bestonden om van terugvordering of boete af te zien en bevestigde de eerdere uitspraken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand en de oplegging van een evenredige bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenplicht.