ECLI:NL:CRVB:2018:2306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel Ziektewetuitkering wegens arbeidsongeschiktheid door zwangerschap en bevalling
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek vanaf 27 maart 2013 met klachten gerelateerd aan zwangerschap. Na beëindiging van haar dienstverband ontving zij een Ziektewetuitkering wegens bekken- en rugklachten. Een verzekeringsarts concludeerde op 2 juli 2014 dat haar arbeidsongeschiktheid niet meer direct door zwangerschap of bevalling werd veroorzaakt, waarna het UWV haar uitkering verlaagde.
De rechtbank volgde het standpunt van het UWV, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Uit medische rapporten blijkt dat de bekken- en rugklachten hun oorsprong vinden in de zwangerschap en bevalling, ondanks het onderhoud door psychische klachten. Volgens vaste rechtspraak prevaleert de oorzaak zwangerschap bij een combinatie van aandoeningen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank en herroept het besluit van 8 juli 2014. Hierdoor behoudt appellante recht op een volledige Ziektewetuitkering vanaf 2 juli 2014. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Appellante behoudt recht op volledige Ziektewetuitkering vanaf 2 juli 2014 wegens arbeidsongeschiktheid door zwangerschap en bevalling.