Uitspraak
17.984 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.002,-;
- bepaalt dat van de Svb een griffierecht van € 501,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 2012 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Na een controle bleek dat betrokkene meerdere bankrekeningen had met een saldo boven de vermogensgrens, waarna de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de AIO-aanvulling introk en een maatregel oplegde wegens onrechtmatig verkregen uitkering.
Betrokkene diende bezwaar in tegen deze besluiten, maar de Svb verklaarde het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk wegens te late indiening, met het argument dat het besluit op 3 maart 2016 was verzonden. De rechtbank oordeelde echter dat de Svb niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit daadwerkelijk was verzonden, waardoor het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard.
In hoger beroep stelde de Svb dat zij wel aannemelijk had gemaakt dat het besluit was verzonden en dat het aan betrokkene was om het ontvangstvermoeden te ontzenuwen. De Raad oordeelde dat de Svb onvoldoende bewijs leverde van verzending, omdat de postkamer geen deugdelijke verzendadministratie bijhield en de dagtekening niet als verzenddatum kan gelden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde de Svb in de proceskosten van betrokkene en legde griffierecht op aan de Svb.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Svb onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit is verzonden en veroordeelt de Svb in de proceskosten.