Appellant werd door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) voor 100% schuldig bevonden aan nalatigheid bij het niet betalen van AOW-premies over de jaren 2003 tot en met 2008, met besluiten van 24 februari 2016 en 9 september 2017. De Svb verklaarde het bezwaar tegen deze besluiten niet-ontvankelijk of ongegrond bij besluiten van 16 februari 2017 (de bestreden besluiten).
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde de beroepen tegen deze besluiten niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Appellant stelde in hoger beroep dat het beroepschrift tijdig was ingediend. De Raad oordeelde dat de beroepstermijn pas begon te lopen op 18 februari 2017, de dag waarop appellant de besluiten ontving, omdat er twijfel bestond over de daadwerkelijke verzenddatum van 16 februari 2017.
De Raad stelde vast dat het beroepschrift, hoewel op 4 april 2017 ontvangen, geacht wordt tijdig ter post te zijn bezorgd gezien het onleesbare poststempel en het feit dat het binnen twee werkdagen na het verstrijken van de termijn werd ontvangen. De rechtbank had de beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Raad vernietigde de uitspraak en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling, waarbij tevens de Svb werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant werd vergoed.