ECLI:NL:CRVB:2016:940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Werknemer was als operator stansmachine werkzaam bij appellante en meldde zich wegens rugklachten ziek vanaf 29 juli 2010. Tijdens het ziekteproces werd een WSW-indicatie aangevraagd en een deskundigenoordeel gegeven dat aanvankelijk de re-integratie-inspanningen van de werkgever als voldoende beoordeelde.
Het UWV legde echter een loonsanctie van 52 weken op omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, met name in het tweede spoor, na het beëindigen van het revalidatietraject op 27 januari 2012. De rechtbank oordeelde dat kansen in het tweede spoor waren gemist en dat de werkgever niet alleen op WSW had mogen focussen.
In hoger beroep stelde de werkgever dat zij mocht vertrouwen op het deskundigenoordeel en voldoende inspanningen had verricht. De Raad concludeerde echter dat het deskundigenoordeel niet meer van toepassing was na de wijziging van de situatie van werknemer na het revalidatietraject. De werkgever was tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen na januari 2012.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de loonsanctie van 52 weken, waarbij werd benadrukt dat de werkgever de verantwoordelijkheid draagt voor adequate re-integratie en dat het vertrouwen op het eerdere deskundigenoordeel geen deugdelijke grond vormt voor tekortkomingen. Een matiging van de loonsanctie werd afgewezen.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.