ECLI:NL:CRVB:2011:BR4295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over terugvordering WAO-uitkering
Appellant, geboren in 1944, ontving tot 1 maart 2009 een WAO-uitkering. Het UWV stelde vast dat in mei 2007 abusievelijk € 727,56 was gestort en vorderde terugbetaling via inhoudingen op de uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat in het verleden onrechtmatige inhoudingen hadden plaatsgevonden, waardoor hij mogelijk een vordering op het UWV had.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit van het UWV. Vervolgens verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond en stelde dat appellant nog een bedrag van € 595,28 moest terugbetalen. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij jarenlang een inkomen onder het sociale minimum had gehad door onrechtmatige inhoudingen.
De Raad oordeelde dat appellant het bestaan van een vordering niet aannemelijk had gemaakt en bevestigde het oordeel van de rechtbank over het eerste besluit. Ten aanzien van het tweede besluit stelde de Raad vast dat het UWV niet op juiste wijze uitvoering had gegeven aan een eerdere uitspraak van de Raad van 25 juli 2008, omdat de inhoudingen in februari 2005 niet waren gecorrigeerd. Daarom vernietigde de Raad het tweede besluit en beval het UWV een nieuwe beslissing te nemen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV over de terugvordering wordt deels bevestigd en deels vernietigd, met een opdracht tot een nieuwe beslissing en vergoeding van proceskosten.