ECLI:NL:CRVB:2016:4778
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten uit hennepteelt en boete wegens niet-melden
Appellant ontving sinds 1988 een WAO-uitkering. In oktober 2009 werd bij hem thuis een hennepkwekerij aangetroffen. Tijdens verhoor erkende appellant mede-eigendom en inkomsten uit de kwekerij. Het Uwv stelde op basis hiervan de WAO-uitkering over de periode juli tot oktober 2009 op nihil en vorderde onverschuldigde uitkering terug. Tevens legde het Uwv een boete op wegens het niet melden van deze inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slechts was veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep en niet voor hennepteelt, en dat de ontnemingsvordering was afgewezen, wat volgens hem aantoonde dat hij geen inkomsten had genoten.
De Raad oordeelt dat het bestuursrechtelijke bewijscriterium anders is dan het strafrechtelijke en dat appellant onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd. De eigen verklaring van appellant bevestigt inkomsten uit de kwekerij. De Raad bevestigt dat de WAO-uitkering terecht op nihil is gesteld en teruggevorderd. Ook is overtuigend aangetoond dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor de boete terecht is opgelegd en niet gematigd wordt.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten van het Uwv tot terugvordering van de WAO-uitkering en oplegging van de boete worden bevestigd.