ECLI:NL:CRVB:2016:1396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot verrekening van kostenvergoeding en schadevergoeding bij bijstandsverlening
Betrokkene 2 ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het dagelijks bestuur trok bijstand in en vorderde kosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht en het voeren van een gezamenlijke huishouding. Na diverse procedures vernietigde de Raad eerdere besluiten deels en gaf opdracht tot hernieuwde financiële uitwerking van terugvorderingen.
Het geschil betrof onder meer de verrekening van de vergoeding van kosten in bezwaar en proceskostenvergoeding met de vorderingen uit bijstand, terwijl betrokkenen rechtsbijstand op toevoeging ontvingen. De rechtbank had de verrekening verboden, maar de Raad stelde dat artikel 60a, vierde lid, WWB deze verrekening toelaat, ook bij toevoeging.
Verder ging het om de vaststelling van de maandelijkse aflossingsverplichting en de toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat de verrekening rechtmatig is, dat de vaststelling van het aflossingsbedrag niet tot onaanvaardbare gevolgen leidt en kende een schadevergoeding toe van € 2.000 per betrokkene wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de verrekening betrof en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Ook de beroepen tegen bijkomende besluiten werden ongegrond verklaard. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 april 2016.
Uitkomst: Het dagelijks bestuur is bevoegd de kostenvergoeding en schadevergoeding te verrekenen met terugvorderingen; het beroep van betrokkenen wordt afgewezen en een schadevergoeding van € 2.000 per betrokkene toegekend.