Uitspraak
OVERWEGINGEN
Mate van verwijtbaarheid
Hoogte van de boete
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres, maar leefde feitelijk elders. Het college trok de bijstand in en legde een bestuurlijke boete op wegens het niet tijdig melden van haar werkelijke verblijfplaats.
De rechtbank had de boete vastgesteld op €836,56, maar appellante ging hiertegen in hoger beroep. De Raad beoordeelde dat appellante in de relevante periode niet op het uitkeringsadres woonde en daarmee de inlichtingenverplichting schond.
De Raad oordeelde dat sprake was van gewone verwijtbaarheid, zonder opzet of grove schuld, en stelde de boete vast op 50% van het benadelingsbedrag, afgerond op €640,-. Appellante verscheen niet ter zitting om haar financiële situatie toe te lichten, waardoor matiging van de boete niet werd toegewezen.
De uitspraak vernietigt het eerdere boetebesluit voor zover de hoogte betreft, bevestigt de overige besluiten en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt vastgesteld op €640,-.