ECLI:NL:CRVB:2015:2283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet aannemelijk in eerste periode
Appellante ontving vanaf 1 januari 2011 bijstand als alleenstaande. Na een melding dat een derde, S, bij haar woonde, voerde de sociale recherche een onderzoek uit, inclusief een huisbezoek op 14 maart 2013. Het college blokkeerde vervolgens de uitbetaling en trok de bijstand in vanaf 1 januari 2011, met terugvordering van €27.664,67 wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met S.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat het huisbezoek rechtmatig was, ondanks het ontbreken van 'informed consent', en dat de verklaringen en waarnemingen tijdens het huisbezoek alleen gebruikt mochten worden voor de periode vanaf 14 maart 2013. Voor de periode daarvoor ontbrak voldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigde daarom het besluit voor de periode tot 13 maart 2013 wegens strijd met de Awb en herroept het intrekkingsbesluit voor die periode. Voor de periode vanaf het huisbezoek is de gezamenlijke huishouding wel aannemelijk gemaakt en blijft de intrekking en terugvordering in stand. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de periode tot 13 maart 2013 en het besluit wordt voor die periode vernietigd en herroepen; voor de periode daarna blijft het besluit in stand.