Appellant, een Somalische vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, had meerdere keren een verblijfsvergunning asiel aangevraagd die waren afgewezen. Hij verbleef met een groep vreemdelingen in de Vluchtkerk in Amsterdam en maakte aanspraak op maatschappelijke opvang. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam weigerde aanvankelijk opvang te verlenen, stellende dat appellant voldoende zelfredzaam was.
Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering en ontving later een toegangspas voor opvang in de Vluchthaven. Desondanks verklaarde de voorzieningenrechter het beroep ongegrond, omdat niet was vastgesteld dat zijn gezondheid substantieel werd bedreigd zonder opvang en omdat hij feitelijk al werd opgevangen.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat het college met het besluit van 30 november 2013 alsnog opvang heeft verleend en dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgronden over de duur van de opvang en het leefgeld buiten beschouwing heeft gelaten. De Raad vernietigt het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat appellant wordt toegelaten tot de maatschappelijke opvang overeenkomstig het besluit van 30 november 2013. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten.