ECLI:NL:CRVB:2012:BX1284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op bijstand na ondeugdelijke afhandeling aanvraag door UWV
Appellante heeft zich op 15 mei 2009 bij het UWV gemeld om bijstand aan te vragen nadat haar WW-uitkering was afgewezen, maar werd weggestuurd wegens het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs. Hierdoor is geen aanvraag geregistreerd en geen aanvraagformulier uitgereikt. Het college kende bijstand toe vanaf 6 augustus 2009, de datum waarop appellante zich opnieuw meldde met een geldig paspoort.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en wees het bezwaar tegen de ingangsdatum van de bijstand af. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs geen grond is om het innemen van de aanvraag te weigeren en dat het UWV een afspraak had moeten maken voor ontvangst van de aanvraag.
De Raad oordeelt dat het bezoek van appellante aan het UWV niet als een aanvraag of melding kan worden aangemerkt omdat het UWV haar niet in staat stelde de aanvraag in te dienen. Dit is een bijzondere omstandigheid die toekenning van bijstand vanaf de datum van de eerste melding rechtvaardigt. Het college moet het besluit vernietigen wegens ondeugdelijke motivering en appellante alsnog in de gelegenheid stellen een aanvraag in te dienen, waarna een nieuw gemotiveerd besluit moet worden genomen.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de ingangsdatum van bijstand met inachtneming van de onjuiste handelwijze van het UWV en bijzondere omstandigheden.