ECLI:NL:CRVB:2009:BH0957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning van bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht tot 14 mei 2005, nadat zij zich op 3 april 2006 bij het Centrum voor werk en inkomen had gemeld. Het College kende bijstand toe vanaf de datum van melding en wees het verzoek om terugwerkende kracht af op grond van artikel 44 van Pro de WWB.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat bijstand in beginsel niet wordt toegekend vóór de datum van melding bij het CWI, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
Appellante stelde dat zij zich eerder had gemeld maar werd weggestuurd wegens het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs. Dit werd echter niet aannemelijk gemaakt; het enkele vermelden op het aanvraagformulier volstaat niet als bewijs. Bovendien dient het ontbreken van een identiteitsbewijs te leiden tot een herstelmogelijkheid en niet tot weigering van de aanvraag.
De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een terugwerkende kracht rechtvaardigen en bevestigde daarom de afwijzing van het verzoek. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden.