ECLI:NL:CRVB:2011:BP8145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing immateriële schadevergoeding na onrechtmatige beslaglegging
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), die op 6 juli 2006 werd herzien en ingetrokken, waarna een bedrag van €1.768,57 werd teruggevorderd. Het College legde vervolgens beslag op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering, wat gegrond werd verklaard wegens verjaring, waardoor het oorspronkelijke besluit onrechtmatig werd.
Appellante verzocht het College om het beslag op haar uitkering te beëindigen en om vergoeding van de door haar geleden schade, waaronder immateriële schade. Het College kende wettelijke rente toe, maar wees vergoeding van immateriële schade af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het bestuursorgaan bevoegd is over het schadeveroorzakende besluit en het zelfstandig schadebesluit. De Raad stelt dat immateriële schadevergoeding alleen toekomt bij ernstige schending van fundamentele rechten, wat hier niet is vastgesteld. Bovendien kon appellante beschikken over het deel van haar inkomen dat gelijk is aan de beslagvrije voet. Daarom is het verzoek om immateriële schadevergoeding terecht afgewezen en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding na onrechtmatige beslaglegging.