ECLI:NL:CRVB:2014:2480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatig opschortingsbesluit
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om vergoeding van immateriële schade van €1.500,- wegens onzorgvuldig en onrechtmatig handelen, resulterend in psychische en emotionele schade. Het college wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte dat niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het om een civiele claim zou gaan.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond, vernietigde het besluit en stelde dat niet was gebleken dat appellant immateriële schade had geleden door het onrechtmatige opschortingsbesluit van 27 juni 2012. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat het besluit hem onrust, spanning en frustratie had bezorgd en dat hij in zijn persoon was aangetast.
De Raad overwoog dat vergoeding van immateriële schade aansluit bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en dat appellant aannemelijk moet maken dat hij in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is getroffen. De enkele stelling van onrust en frustratie volstaat niet. Bovendien bleek dat het college de bijstand feitelijk altijd heeft doorbetaald.
De Raad bevestigt daarom de afwijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn persoon is aangetast.