ECLI:NL:CRVB:2010:BM3133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht en onjuiste verklaringen
Appellante ontving bijstand sinds 1996 en kreeg deze vanaf september 2005 toegekend volgens de norm voor gehuwden. Het College trok de bijstand per 1 februari 2006 in omdat appellante en haar partner de inkomstenverklaring over februari 2006 niet hadden ingediend en niet reageerden op verzoeken om contact.
Appellante gaf aan dat haar partner weigerde de verklaring mede te ondertekenen en dat zij mishandeld was. Tijdens gesprekken met de Dienst Werk en Inkomen bleek dat zij in het buitenland geld had opgenomen, maar gaf zij tegenstrijdige en onjuiste verklaringen over haar verblijf en de vermissing van haar paspoort en pinpas. Zij overhandigde niet de gevraagde documenten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit in hoger beroep. De Raad oordeelt dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht op bijstand had gedurende de periode 1 februari tot 10 april 2006. De gestelde dwang en mishandeling door haar ex-partner vormen geen bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het beleid leiden.
De Raad concludeert dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.