ECLI:NL:CRVB:2008:BD7237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- G.L.M.J. Stevens
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire strafontslag wegens plichtsverzuim door bezit alcohol op werk
Betrokkene, werkzaam als medewerker begraafplaatsen bij een gemeente, werd herhaaldelijk aangesproken op het bezit en gebruik van alcohol tijdens werktijd. Na eerdere waarschuwingen en een schriftelijke berisping werd bij inspectie in september 2004 alcoholhoudende drank in zijn kledingkast aangetroffen, verpakt in een frisdrankfles. Betrokkene werd beschuldigd van plichtsverzuim, poging tot misleiding en liegen tegenover zijn leidinggevende.
Het college legde betrokkene op 1 november 2004 ontslag met onmiddellijke ingang op wegens ernstig plichtsverzuim. De rechtbank vernietigde dit besluit echter wegens onvoldoende motivering van de strafmaat, met name omdat het gebruik van alcohol tijdens werktijd niet in de tenlastelegging was opgenomen en betrokkene een biercultuur aanvoerde.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het disciplinaire ontslag niet kan worden aangemerkt als een strafvervolging in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zodat het zwijgrecht niet van toepassing was. De Raad bevestigt dat het bezit van alcohol op het werk en de misleiding plichtsverzuim vormen en dat het college bevoegd was tot ontslag. De Raad oordeelt dat de straf van ontslag niet onevenredig is, mede gelet op de herhaalde waarschuwingen en gemaakte afspraken.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het ontslagbesluit ongegrond. Er wordt geen vergoeding van proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het disciplinaire ontslagbesluit wordt ongegrond verklaard en het ontslag bevestigd.