ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid
Appellant ontving sinds 1992 een bijstandsuitkering en vroeg in 1999 bijzondere bijstand aan voor een bedrijfsonderzoek. Na een negatief advies van het IMK en een onderzoek van de sociale recherche werd vastgesteld dat appellant vanaf februari 1999 tot november 1999 werkzaamheden verrichtte voor het bedrijf, zonder dit te melden aan de sociale dienst.
De Raad concludeert dat appellant de inlichtingenverplichting schond door deze werkzaamheden te verzwijgen, ook al ontving hij geen beloning. De strafrechtelijke vrijspraak van overtreding van artikel 141 Abw Pro doet hieraan niet af, omdat bestuursrechtelijke toetsing onafhankelijk is.
Appellant slaagde er niet in met concrete gegevens aan te tonen dat hij recht had op bijstand vanaf mei 1999. De Raad vernietigt het besluit voor de periode tot 1 mei 1999 omdat appellant toen nog binnen de gemaakte afspraken handelde. De terugvordering moet worden herzien en een nieuw besluit worden genomen.
De Raad veroordeelt de gemeente Amsterdam in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd voor de periode tot 1 mei 1999 en een nieuw besluit wordt bevolen.