ECLI:NL:CRVB:2003:AH8692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Betekenis van inkomsten bij beëindiging dienstbetrekking en fictieve opzegtermijn WW
Deze zaak betreft het hoger beroep van het UWV tegen uitspraken van rechtbanken die besluiten over WW-uitkeringen aan betrokkenen vernietigden. Centraal staat de uitleg van het begrip 'inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking' en de lengte van de fictieve opzegtermijn volgens artikel 16, derde lid, van de WW.
De Raad stelt vast dat suppleties op WW-uitkeringen, ook indien periodiek en afhankelijk van toekomstige onzekere gebeurtenissen, ruim moeten worden beschouwd als inkomsten in verband met beëindiging van de dienstbetrekking. De kapitalisering van deze suppleties is toegestaan, maar kan leiden tot situaties waarin de werknemer feitelijk geen WW-uitkering ontvangt, wat problematisch is. De Raad erkent deze problematiek, maar ziet geen wettelijke belemmeringen voor herberekening van inkomsten.
Verder oordeelt de Raad dat bij de vaststelling van de fictieve opzegtermijn uitsluitend de opzegtermijnen van artikel 7:672 BW Pro per 1 januari 1999 gelden, en niet de overgangsbepaling van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid. De verwijzing in de CAO naar de termijnen in het BW vormt geen afwijking van deze wettelijke termijnen. Hierdoor vernietigt de Raad het besluit van het UWV dat uitging van de oudere opzegtermijnen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle onder verbetering van de gronden.
Tot slot veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkenen en bepaalt dat het UWV nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit van het UWV over de fictieve opzegtermijn en veroordeelt het UWV in de proceskosten van betrokkenen.