ECLI:NL:CRVB:2002:AF3224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.T. van de Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering en toepassing CAO bankbedrijf
Betrokkene, sinds 1980 in dienst bij een rechtsvoorgangster van een bank, kreeg per beschikking van de kantonrechter op 30 december 1998 ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 1999 met een vergoeding. Het geschil betreft de lengte van de fictieve opzegtermijn die het Uwv hanteerde bij de toekenning van een WW-uitkering.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Uwv van 22 juli 1999 omdat het ten onrechte de aanzegtermijn niet in aanmerking had genomen en oordeelde dat de opzegtermijn volgens de CAO bankbedrijf minimaal twee maanden bedraagt. Het Uwv stelde dat de wettelijke opzegtermijn van 25 weken met inachtneming van de rda-maand en de aanzegtermijn van toepassing is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de CAO een ondergrens van twee maanden bevat, maar dat de wettelijke opzegtermijn van vier maanden (artikel 7:672 BW Pro) met aftrek van de rda-maand en de aanzegtermijn bepalend is. Het beroep van betrokkene wordt gedeeltelijk toegewezen door vernietiging van het eerdere besluit, maar het beroep tegen het nieuwe besluit van 22 augustus 2001 wordt ongegrond verklaard. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2001 wordt ongegrond verklaard, het eerdere besluit van 22 juli 1999 wordt vernietigd en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.