ECLI:NL:CRVB:2008:BG6238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- T. van Peijpe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens toerekening ontbindingsvergoeding als inkomen
Appellante trad op 1 januari 2002 in dienst bij de rechtsvoorganger van haar werkgever en sloot op 13 oktober 2006 een beëindigingsovereenkomst waarbij haar arbeidsovereenkomst per 1 november 2006 werd beëindigd. Zij ontving een bruto vergoeding van €21.223,07, bestemd als koopsom voor een lijfrente. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever en kende de vergoeding toe als suppletie op een eventuele WW-uitkering.
Het UWV weigerde de WW-uitkering tot 1 februari 2007, omdat de vergoeding werd aangemerkt als inkomen waarop appellante recht had in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, gelijkgesteld met loon doorbetaling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de vergoeding onder het inkomensbegrip van artikel 16, derde lid, WW valt.
In hoger beroep betoogde appellante dat de vergoeding, volledig gebruikt als koopsom voor een lijfrente met ingang van 1 mei 2010, niet als inkomen voor de WW kon worden beschouwd, omdat zij in de periode na beëindiging geen inkomsten genoot. De Raad oordeelde dat het begrip inkomen ruim moet worden uitgelegd en dat de persoonlijke besteding van de vergoeding niet bepalend is voor de kwalificatie ervan als inkomen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat de ontbindingsvergoeding als inkomen wordt aangemerkt.