ECLI:NL:CRVB:2008:BD1653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbindingsvergoeding als loon over opzegtermijn
Appellant diende een aanvraag in voor een WW-uitkering na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2006, waarbij hij een ontbindingsvergoeding van €70.000 bruto ontving. Het UWV weigerde de WW-uitkering tot 1 november 2006 toe te kennen, omdat de vergoeding werd aangemerkt als loon over de opzegtermijn van vier maanden, waar de zogenaamde rda-maand in mindering werd gebracht.
Appellant voerde bezwaar aan met het argument dat de vergoeding was aangewend voor de aankoop van een lijfrentepolis (stamrecht) en dat deze vergoeding daarom niet als loon over de opzegtermijn kon worden beschouwd. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de ontbindingsvergoeding onmiskenbaar inkomsten in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking zijn en dat de bestemming van de vergoeding voor een lijfrente hieraan niets afdoet. Tevens stelde de Raad dat de wetgeving voorziet in gelijkstelling van deze vergoeding met loon over de periode vanaf de dag na de kantonrechterlijke ontbindingsbeschikking tot het einde van de opzegtermijn, om dubbele opzegtermijnen te voorkomen.
De Raad verwierp de interpretatie van appellant dat de vergoeding alleen gelijkgesteld kan worden met loon indien deze betrekking heeft op de periode direct volgend op de laatste werkdag en wees op de memorie van toelichting ter onderbouwing van de wettelijke regeling. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat de ontbindingsvergoeding gelijkgesteld wordt met loon over de opzegtermijn, waardoor de WW-uitkering tot 1 november 2006 wordt geweigerd.