Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2021 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
.Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan, acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat het afbouwen van de varkenstak en de uitbreiding van de melkveetak voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich mee zou brengen. Hoewel appellante stelt al eerder het plan te hebben opgevat het melkveebedrijf uit te breiden, heeft zij hier in 2013 pas concreet vorm aan gegeven door te investeren. Het had op de weg van appellante gelegen haar plannen niet, dan wel gewijzigd, voort te zetten. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat zij op de peildatum nog niet over de beoogde dieraantallen beschikte omdat zij heeft beoogd te groeien met eigen aanwas, verwijst het College naar eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat de keuze om te groeien met eigen aanwas voor risico en rekening komt van de ondernemer. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen kan het College aan de door appellante overgelegde financiële rapportage niet de waarde toekennen die zij daaraan gehecht wenst te zien.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de daarin vastgestelde vergoeding voor de kosten in bezwaar betreft;
- stelt deze vergoeding vast op € 1.064,-
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.416,67 aan appellante wegens de geleden immateriële schade;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 83,33 aan appellante wegens de geleden immateriële schade;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep van appellante tot een bedrag van in totaal € 5.569,58;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten in beroep van appellante tot een bedrag van € 187,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellante te vergoeden.