Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2019 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante exploiteerde een gemengd landbouwbedrijf met vleesvarkens en melkvee. Door ziekte van een van de maten werd besloten de varkenstak te beëindigen en de melkveetak uit te breiden en te moderniseren. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de situatie op 2 juli 2015, met een generieke korting van 8,3%.
Appellante stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast en dat sprake is van een individuele en buitensporige last, mede vanwege de noodzakelijke omschakeling door ziekte en de investeringen die zij niet kon benutten. Verweerder betwistte dit en stelde dat appellante bewust had gekozen voor uitbreiding ondanks voorziene productiebeperkingen.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De individuele situatie van appellante rechtvaardigt geen afwijking: de omschakeling was niet onredelijk en vergelijkbaar met andere melkveehouders die uitbreidden. De financiële rapportage toonde aan dat de uitbreiding meer compenseerde dan het wegvallen van de varkenshouderij. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het fosfaatrecht wordt bevestigd zonder verhoging.